De feiten over de SP aktie

lightrailproject

 
De feiten over de SP aktie tegen het Jeruzalem Lightrailproject.  
Het Financieele Dagblad1 november 2008 zaterdag
SP'er gispt HTM voor schending Conventie



Van onze redacteur

Den Haag

SP-Tweede Kamerlid Harry van Bommel beschuldigt de Haagse Tramweg Maatschappij (HTM) van schending van de Conventie van Genève. HTM helpt Israël bij de aanleg van een light rail verbinding door het bezette Oost-Jeruzalem, het Palestijnse deel van de hoofdstad.

Van Bommel vindt dat de Nederlandse regering de betrokkenheid van het overheidsbedrijf onmiddellijk ongedaan moet maken. Franse bedrijven die ook bij het project betrokken zijn, moeten zich deze maand verantwoorden voor de rechter. Zover moet Nederland het niet laten komen.

Van Bommel baseert zijn beschuldiging op de artikelen 53 en 49 van de Vierde Conventie van Genève. In art. 53 staat dat een bezettende mogendheid geen onroerende goederen mag vernielen, behalve in het geval dat militaire operaties een dergelijke vernieling noodzakelijk maken. 'Dat is hier niet aan de orde en daarom is de aanleg op te vatten als een uitbreiding van de Israëlische kolonisering van Oost-Jeruzalem', aldus Van Bommel. Art. 49 verbiedt een bezettende mogendheid om een gedeelte van haar eigen burgerbevolking over te brengen naar het door haar bezette gebied. Beide artikelen spelen een centrale rol in het proces in Frankrijk.

Van Bommel wordt in zijn analyse gesteund door de Nederlandse mensenrechtenorganisatie Icco, de gezaghebbende Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al-Haq en de PLO, die in Frankrijk het proces voert. Ook verschillende wetenschappers internationaal recht zijn tot dat oordeel gekomen. Het SP-Kamerlid vindt het onbegrijpelijk dat een bedrijf, in handen van de lokale overheid, zo'n politieke blunder begaat.

Copyright 2008 Het Financieele Dagblad B.V.
All Rights Reserved
De navolgende brieven stuurden wij aan Minister Verhagen ; aan de 2e Kamervoorzitter en de SP in reactie op de kamervragen van van Bommel
Geachte Voorzitter Tweede Kamer, SP kamerleden en bestuursvoorzitter SP,

Ik stuur u een afschrift van de brief die ik schreef namens onze groep Israel-Facts naar Minister Verhagen over de kamervragen van de heer van Bommel inzake de deelname van HTM in het Jeruzalem lightrailproject.
Inmiddels is uit onze eigen research gebleken dat nog een andere claim van de heer van Bommel totaal ongefundeerd was, namelijk dat HTM deel uitmaakt van het consortium dat de aanleg van het Lightrail project uitvoert in Jeruzalem, de directeur van HTM wees hem op het feit dat HTM in het geheel niet betrokken is bij dit project.
De heer van Bommel beschuldigde de HTM en de Nederlandse regering in een artikel in het Financieel Dagblad van het begaan van een blunder, wij menen dat de echte blunder begaan is door de heer van Bommel, door niet gehinderd door kennis van de feiten tot een dergelijke aktie over te gaan.
Het toont de bezetenheid aan waarmee de SP alles wat met Israel te maken heeft benaderd, hopelijk is deze blunder voldoende om voortaan een objectievere en meer overwogen houding aan te nemen ten opzichte van het conflict in het Midden-Oosten en van Israel in het bijzonder.

IF
Aan Minister M. Verhagen
Ministerie van Buitenlandse Zaken Den Haag Nederland


Geachte Excellentie, Mijnheer Verhagen,
Uit naam van onze groep Israel-Facts, die bestaat uit Nederlandse immigranten in Israel en Nederlandse Israeli's schrijf ik u in verband met de kamervragen die het SP kamerlid van Bommel recentelijk aan u stelde.
Ik zou graag uw reactie verkrijgen op het onderstaande:

Het SP-Tweede Kamerlid Harry van Bommel stelde recentelijk vragen aan de minister van Buitenlandse zaken over de deelname van het overheidsbedrijf HTM in het Jeruzalem Lightrailproject, hij eist onder meer stopzetting van de deelname van HTM aan het project.
Van Bommel baseert zijn eis op de vierde Geneefse conventie artikelen 53 en 49.
In zijn opvatting is de aanleg van de lijn op te vatten als een uitbreiding van de kolonisering van Oost Jeruzalem.

De bewuste artikelen van de vierde Geneefse conferentie gaan echter over de bezetting van een gebied van een souvereine staat door een andere souvereine staat, de Israelische positie is altijd geweest dat de bezetting van gebieden in 1967, die werden veroverd na Arabische agressie, door de illegale Jordaanse bezetting van 1948 tot 1967 van die gebieden, niet valt onder de bepalingen van de vierde Geneefse conventie (Jordanie was niet de souvereine staat wiens gebieden werden verovert, en daarover gaan de bewuste bepalingen in de conventie)
De geschiedenis vanaf de Balfourverklaring zal u zeer waarschijnlijk bekend zijn. Het gebied van het Britse Mandaat, was door de Volkenbond aangewezen voor de vestiging van het Joods nationaal tehuis, dit was het exclusieve doel van de stichting van het Britse mandaat.

Relevant is verder nog de Jordaanse afstandsverklaring uit 1988, die tot doel had de vorming van een Palestijns nationaal tehuis op de West-Bank (en Gaza) mogelijk te maken.
Met betrekking tot Jeruzalem bestaat er internationale consensus dat de status van deze stad via onderhandelingen bepaald zal moeten worden, de EU ziet als de aangewezen weg de Roadmap.
De Britse regering beziet de status van Jeruzalem echter zoals bepaald in het verdelingsbesluit van de VN in 1947 (corpus separatum; resolutie 303) ,daaruit volgt dat ook volgens het VK de Jordaanse bezetting illegaal was en dat de status van de stad via onderhandelingen bepaald zal moeten worden.
Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Jordaanse claim op de stad Jeruzalem niet beschouwd kon worden als gebaseerd op het internationale recht.
Verder is duidelijk dat de Palestijnse claim op Jeruzalem niet gebaseerd is op een historisch recht op de stad. Er heeft nooit een onafhankelijke staat Palestina bestaan, en de Palestijnen (Arabische inwoners van Gaza en de Westelijke Jordaanoever) hadden dus ook nooit een hoofdstad, los daarvan is Jeruzalem al ruim een eeuw een stad waarin de overgrote meerderheid Joods is en heeft de stad een aantoonbare Joodse historie van meer dan 3000 jaar.

In zijn eis aan de Nederlandse regering claimt van Bommel impliciet dat Israel bij de aanleg van de lightrail Palestijns onroerend goed zou hebben vernield. Hetgeen verboden is onder artikel 53 van de Geneefse conventie .
Ook deze claim is ronduit absurd, het traject van de lightrail voert voor 90 % door het gebied dat voor 1967 al Israelisch gebied was (West Jeruzalem) slechts circa 1,5 kilometer van het 14 kilometer lange traject voert over gebied dat sinds 1967 in Israelische handen is (en waar de Palestijnen dus een eventuele toekomstige hoofdstad zien) namelijk het traject dat vanaf Givat Tsarfatit (French Hill) naar Pisqat Ze'ev voert door het Arabische dorp Shu'fat.
Naar verluidt is voor de aanleg van een parkeerterrein Palestijnse grond onteigend, maar dat is iets totaal anders dan het vernietigen van onroerend goed.
In feite voert het gehele traject tot nu toe over bestaande wegen die voor dit doel zijn opengebroken en waar voorafgaand aan het werk krachtens de Israelische wet archeologische opgravingen zijn uitgevoerd.
Nergens is voor de aanleg van het traject onroerend goed vernietigd noch geconfisqueerd , wel is de bestaande infrastructuur zoals o.a. riolering tegelijkertijd met de aanleg van de rail vernieuwd ten bate van de gehele bevolking in die delen van Jeruzalem.

Gebaseerd op het voorafgaande lijkt het ons aanbevelingswaardig dat de Nederlandse Regering de eisen en claims van de heer van Bommel afwijst.
Het project is in feite een volledig interne Israelische kwestie waarbij de werkzaamheden worden uitgevoerd door een internationaal commercieel consortium .
Wij verzoeken u dan ook vriendelijk afstand te nemen van de claims en eisen van de heer van Bommel , met name van zijn claims inzake de Geneefse conventie en zijn beschuldigingen aan het adres van Israel in het algemeen.

IF
Kamervragen aan BuZa van SP over Jeruzalem lightrailproject.  

(C) 2005 - Alle rechten voorbehouden

Deze pagina afdrukken